Ontstaan van bodemdaling

De aardgaswinning gaat veelal gepaard met bodemdaling. Het gas bevindt zich in poriën van diep gelegen gesteentelagen. Deze gesteenten bestaan uit min of meer aan elkaar gekitte zand- of kalkkorrels waartussen zich de poriën, kleine ruimtes, bevinden. Als de poriën voldoende met elkaar in verbinding staan kan het gas door dit gesteente naar de boorputten stromen. Een poreuze gesteentelaag waarin zich aardgas bevindt, wordt een reservoir genoemd.

Het aardgas in een reservoir staat onder hoge druk als gevolg van de aardlagen erboven. Zodra het gas wordt gewonnen, zal de druk in het reservoir geleidelijk afnemen. Als dat gebeurt worden de korrels van het reservoirgesteente door het gewicht van de bovenliggende lagen enigszins samengedrukt. Dit samendrukken wordt compactie genoemd. Hoe groot die compactie is, hangt af van de drukdaling, de samenstelling en de poreusheid van het gesteente, de dikte van het reservoir en de druk van de bovenliggende aardlagen.

Als er ondergronds compactie plaatsvindt, kan dat aan de oppervlakte gevolgen hebben in de vorm van bodemdaling. In welke mate bodemdaling optreedt, hangt af van de ondergrondse compactie en de diepte en de omvang van het reservoir. Een groot gasveld op geringe diepte geeft meer bodemdaling dan een klein veld op grote diepte.

Er zijn ook andere oorzaken van bodemdaling, zoals o.a. de zoutwinning, het inklinken van klei- en veenlagen, het verlagen van de grondwaterstand en waterwinning. Op veel plaatsen in Nederland komt daarom bodemdaling voor door andere oorzaken dan gaswinning.